Bij NLScholing geloof ik dat iedere NT2-cursus meer is dan alleen Nederlands leren. Het is een gezamenlijke reis: docent én cursist samen onderweg, met taal als brug én doel. Eén van de manieren waarop ik dit concreet vormgeef, is door in mijn lessen ruimte te maken voor het Arabisch van een groot deel van mijn cursisten. Taal is immers niet alleen wat je moet leren, maar ook wat je al bezit.
Ik laat cursisten zien dat ik óók actief bezig ben met taal, zo vind ik het leuk om wat woorden en zinnen in het Arabisch te leren en heb ik als doel gesteld om taalniveau A1 te behalen. Daarmee ontstaat verbinding en gelijkwaardigheid.
Deze werkwijze vormt ook de basis van onze NT2-trainingen, waarin praktijk, taalbewustzijn en verbinding centraal staan.
Ik gebruik Arabisch om onder meer Nederlandse grammatica uit te leggen, bijvoorbeel met: wie/wat, werkwoord, wanneer, wat & waar. Door woorden en structuren in het Arabisch te benoemen, zien cursisten de universele patronen die gemeenschappelijk zijn in taal.
In de pauze merk ik dat cursisten elkaar vragen wat ook alweer het Nederlandse woord was van een Arabisch woord dat we besproken hebben. Dit geeft aan dat wat geleerd is beklijft en actief wordt gebruikt.
Klankverschillen worden zichtbaar. Als ik zelf worstel met Arabische klanken die in het Nederlands niet bestaan, herkennen cursisten direct dat zij hetzelfde meemaken bij het leren van Nederlands. Dat maakt uitspraakondersteuning natuurlijker en empathischer.
Overeenkomsten zijn er óók. Sommige woorden lijken verrassend veel op elkaar in Arabisch en Nederlands, of komen uit dezelfde internationale bron. Denk aan woorden die via Engels of Frans universeel zijn geworden (zoals computer of radio). Zulke herkenning geeft cursisten zelfvertrouwen: ze merken dat ze al meer kennen dan gedacht, en dat talen vaak verbonden zijn.
Deze visie sluit aan bij onze publicaties over NT2-onderwijs, waarin theorie en praktijk samenkomen
Cummins (1979, 2000) – Common Underlying Proficiency: vaardigheden in de moedertaal helpen bij het leren van een tweede taal. Overeenkomsten en herkenbare woorden zijn dus krachtige ankers.
Cook (2001) – Multicompetence: meertaligen hebben een geïntegreerd taalsysteem. Het benutten van Arabisch verrijkt ook het Nederlands.
Swain & Watanabe (1998) – Collaborative dialogue: samen praten over taal en fouten zien als leermoment vergroot inzicht.
Chomsky (1965) – Universal Grammar: alle talen delen structuren. Door zowel verschillen (klanken, volgorde) als overeenkomsten (woorden, concepten) te benadrukken, groeit taalbewustzijn.
Fonologie – Uitspraakverschillen zijn vaak te verklaren doordat klanken in de ene taal ontbreken in de andere. Door dit expliciet te maken, krijgen cursisten handvatten om hun uitspraak te verbeteren.
Gelijke relatie: docent én cursist leren, ieder in een andere taal.
Motivatie: gezamenlijke doelen (ik Arabisch, zij Nederlands) maken de lessen levendiger.
Begrip & herkenning: naast de verschillen ook de overeenkomsten benutten geeft zelfvertrouwen.
Uitspraak & klanken: empathie voor elkaars moeilijkheden maakt het oefenen veiliger.
Fouten maken mag: door zelf ook te worstelen, laat ik zien dat fouten erbij horen.
Bij NLScholing ben ik ervan overtuigd dat het benutten van de moedertaal — in een aantal gevallen Arabisch — en inzicht in universele taalpatronen (zoals UG) niet alleen effectiever taalonderwijs oplevert, maar ook meer begrip, herkenning en motivatie. Door ook mijn eigen leerproces in het Arabisch zichtbaar te maken, ontstaat een gedeelde weg: samen leren, samen ontdekken wat gelijk is, samen groeien naar beter Nederlands.