Soms loop ik met een scheidsrechtersfluitje door de klas.

 

De eerste keer dat nieuwe cursisten dat zien, kijken ze me wat verbaasd aan. Een NT2-docent met een scheidsrechtersfluitje? inderdaad, en het werkt verrassend goed! :-) 

 

Wanneer ik cursisten uit bijvoorbeeld China, Japan, Zuid-Korea of Vietnam lesgeef en we oefenen een grammaticale structuur die écht moet inslijten, een vaste woordvolgorde, een grammaticale chunk of de verleden tijd, pak ik het fluitje uit mijn tas. Zodra iemand de geoefende structuur verkeerd gebruikt, klinkt er een kort fluitsignaal. De cursist herhaalt de zin, verbetert zichzelf en we gaan meteen verder.

Tijdens een rollenspel, een werkoverleg of een gesprek bij de koffiemachine zul je mij een cursist nauwelijks horen onderbreken. Dan laat ik iemand juist uitpraten. Ik noteer de fouten en bespreek ze later. Op dat moment is het veel belangrijker dat iemand durft te spreken dan dat iedere werkwoordsvorm perfect is.

 

Waarom gebruik ik dat fluitje dan toch?  Omdat niet alleen talen verschillen, maar ook leerculturen.

In mijn groepen zitten cursisten uit o.m. Europa, Amerika en Azië. Ze volgen allemaal dezelfde taaltraining, maar ze kijken heel verschillend naar de rol van een docent. Veel Europese cursisten vinden het prettig als ze eerst hun verhaal kunnen afmaken. Ze willen feedback, maar liever nadat ze gesproken hebben.

 

Bij een aantal van mijn Aziatische cursisten hoor ik juist iets heel anders. "Docent, verbeter mij meteen."

Of: "Als ik een fout maak, moet u direct zeggen dat het fout is. Anders leer ik het niet."

Soms zeggen ze zelfs dat er best een consequentie aan een fout mag zitten. Dat klinkt voor ons misschien streng, maar meestal bedoelen ze helemaal niet dat ze straf willen. Ze bedoelen: laat mij niet dezelfde fout steeds opnieuw maken. In de onderwijssystemen waarmee zij zijn opgegroeid, is een goede docent iemand die fouten direct ziet én direct corrigeert. Dat wordt niet als onvriendelijk ervaren, maar juist als betrokkenheid.

 

Daarom probeer ik mijn lessen niet alleen af te stemmen op het taalniveau van mijn cursisten, maar ook op hun verwachtingen over leren. Ik gebruik ik het fluitje alleen tijdens heel gerichte nauwkeurigheidsoefeningen met groepen waarvan ik weet dat deze directe vorm van feedback goed aansluit bij hun leerstijl. Zodra we overstappen naar gesprekken, overlegsituaties of praktijksimulaties, verdwijnt het fluitje weer in mijn tas. Dan gaat communicatie vóór perfectie.

 

Doceren is ook (doorlopend) reflecteren en keuzes te maken over wat past bij een bepaalde onderwijscultuur. De één leert door ruimte te krijgen, de ander door directe feedback. De kunst is niet om voor één aanpak te kiezen, maar om te weten wanneer je welke aanpak inzet.

 

Voordat ik een fout verbeter, stel ik mezelf daarom steeds dezelfde vraag:

Helpt deze correctie de cursist op dit moment verder, of onderbreek ik alleen zijn communicatie?

Het antwoord bepaalt of ik mijn notitieblok pak... of mijn scheidsrechtersfluitje.